|
MG-ontwerper Gerald Palmer had zijn sporen in de Britse automobielindustrie al
verdiend toen hij in 1949 voor de tweede keer bij de British Motor Corporation
in dienst trad. Nu niet, zoals in 1937, als 'gewoon' ontwerper, maar eerst als
hoofdontwerper van BMC en vanaf 1952 bovendien als lid van de hoofddirectie. En
dat was niet meer dan terecht, aangezien Palmer in 1947 verantwoordelijk was
geweest voor de vooruitstrevend vormgegeven Jowett Javelin. Deze fraai
gestroomlijnde saloon werd in het toonaangevende Britse autoblad The Motor
omschreven als 'an anglicised and in many respects improved Lancia
Aprilia'.
Jowett was een kleine firma en had niet de mogelijkheden om de Javelin tot een
zakelijk succes te maken. Desondanks werden er toch 30.000 exemplaren van
geproduceerd. Toen BMC Palmer terug wilde, was de keus echter niet zo moeilijk.
Terug in Oxford werd Palmer collega van Morris Minor-ontwerper Alec Issigonis,
jawel, de man die 10 jaar later de legendarische Mini zou ontwerpen. Palmer
werd verantwoordelijk voor het ontwerp van de toekomstige modellen van MG,
Riley en Wolseley. Hij kreeg de opdracht om een 4-persoons saloon te ontwerpen
voor MG en Wolseley alsmede een 6-persoons saloon voor Riley en Wolseley.
Opvolger van de MG Y-type
De nieuwe MG saloon moest de opvolger worden van de Y-type, die bij de
lancering in 1946 eigenlijk al verouderd was. Door de Tweede Wereldoorlog was
het al uit 1940 daterende ontwerp jarenlang op de plank blijven liggen en ook
al bracht Palmer direct na zijn binnenkomst nog wat verbeteringen aan, het was
duidelijk dat er een opvolger moest komen. En aangezien MG al jaren werkte met
letters als modelbenamingen, zou dit de Z-type worden.
Tegelijk met het ontwerp van de nieuwe MG Z werkte Palmer dus aan nog 3
ontwerpen; de 4-persoons Wolseley (die 4/44 zou gaan heten; 4 cilinders en 44
paardekrachten), de 6-persoon Riley (die de naam Pathfinder zou krijgen) en de
6-persoons Wolseley (die 6/90 zou gaan heten).
Het gebruik van dezelfde componenten voor verschillende merken is iets wat bij
grote concerns veelvuldig wordt toegepast. Denk bijvoorbeeld aan Volkswagen
(VW, Audi, Skoda en Seat delen heel wat onderdelen met elkaar) en Ford (Ford
Mondeo en Jaguar X-type hebben hetzelfde onderstel). In de vijftiger jaren was
BMC een voorloper op dit gebied; Palmer kreeg de opdracht om voor enerzijds de
4-persoons MG en Wolseley en anderzijds de 6-persoons Riley en Wolseley zoveel
mogelijk van dezelfde componenten gebruik te maken. De MG en de Riley moesten
de sportieve uitvoeringen worden ('low built sports saloons'), de Wolseley's
werden de 'luxurious saloon cars'.
Palmer werd bij zijn ontwerpen voor BMC sterk geïnspireerd door de grote
Italiaanse ontwerpers uit die tijd en vooral Pinin Farina heeft een grote
invloed op hem gehad. Palmer zag al in 1948 een door Farina ontworpen Bentley
2-deurs coupé op de Autosalon van Parijs en hij nam zich toen al voor om
met die lijnvoering in het achterhoofd een wat meer praktisch bruikbare saloon
te ontwikkelen.
Snelste 1,5 liter saloon car
Palmer liet er geen gras over groeien en toen de beide basisontwerpen gereed
waren ging het ook erg snel. In 1952 kwam de Wolseley 4/44 uit, in 1953 gevolgd
door de MG Z Magnette en de Riley Pathfinder, waarna in 1954 de Wolseley 6/90
de laatste was in de reeks. Het werden de eerste auto's uit de BMC-fabriek met
een zelfdragende carrosserie.
Eigenlijk was de MG in 1952 (en al een paar maanden eerder dan de Wolseley) ook
al productierijp, maar het wachten was op een geschikt motorblok. De Wolseley
zou de luxe en wat meer bedaagde uitvoering worden en kon prima uit de voeten
met het oude XPAG 1250 cc motorblok, dat al voor de Tweede Wereldoorlog in de
MG T-type werd gebruikt. De MG zou zoals gezegd de sportiefste van de twee
worden en dus was het wachten op het nieuwe B-serie motorblok, dat 60 pk
leverde bij 4600 toeren per minuut. Daarmee was de Magnette de krachtigste
4-deurs saloon in de anderhalve literklasse in die tijd.
Concurrenten als de Opel Olympia (40pk), de Fiat 400 (50pk), de Volvo PV 444
(44pk) en de Ford Consul (48pk) bleven daar zo'n 10 à 20 pk bij achter.
Daar kwam bij dat topsnelheid van de Magnette een stuk hoger lag dan die van
z'n concurrenten en dat Gerald Palmer had gezorgd voor een wegligging die door
weinig andere merken geëvenaard kon worden.
ZA wordt ZB
De ZA werd in 1956 opgevolgd door de ZB, die weliswaar hetzelfde blok had, maar
waar men nu 8 pk's meer wist uit te persen, zodat de topsnelheid opliep tot 142
km/uur. Uiterlijk verschilt de ZB van de ZA door de grotere achterruit en de
sierstrips die nu op de flanken zaten in plaats van rond de voorste wielkast.
De ZB, die ook als zgn. Varitone leverbaar was, bleef tot 1958 in productie en
werd opgevolgd door de tamelijk rechthoekige Magnette MkIII. Dit nieuwe model
was ontworpen door Farina, die hetzelfde ontwerp later ook nog aan Peugeot
(404) zou verkopen. In totaal zijn er zo'n 37.000 exemplaren van de Z-serie geproduceerd.
Van de sloop gehaald
De ZA Magnette uit deze reportage is in 1955 uit de fabriek gekomen en naar de
Verenigde Staten geëxporteerd. Voordat de auto van de importeur via de
dealer bij de eerste eigenaar terecht was gekomen, was het inmiddels 1956 geworden.
|
Daarna heeft de Magnette jaren rond gereden in Arizona, één van
de droogste staten binnen de VS, waardoor er 45 jaar later nog nauwelijks
sporen van roest waren te ontdekken. En dat laatste feit is één
van de belangrijkste redenen waarom dit exemplaar in Nederland terecht is
gekomen.
Begin 2000 kocht klassiekerspecialist Dragstra uit Friesland een paar
MGA's en Austin-Healey's bij één van z'n vaste leveranciers in
Amerika. In de zeecontainer, die voor het vervoer werd gebruikt waren nog twee
plaatsen vrij en de leverancier stelde voor om die 'op te vullen' met een
tweetal Magnettes, die hij nog ergens op zijn terrein had staan. Dragstra ging
akkoord aangezien de Magnettes hetzelfde motorblok hebben als de MGA; mocht hij
de auto's in Nederland aan de straatstenen niet kwijt kunnen, dan kon hij
altijd de motoren nog gebruiken.
De beide auto's waren redelijk compleet, nagenoeg roestvrij, maar hadden
waarschijnlijk al zo'n 20 jaar stilgestaan. En dat in Arizona in de brandende
zon. Alles dat uit kan drogen aan een auto was dan ook uitgedroogd. Houtwerk,
leren bekleding, banden, rubber slangen en ook van de lak was niet veel meer
over. Het exemplaar op bijgaande foto's heeft in Amerika nog een
'one-hour-paintjob' gekregen, waardoor hij er weer redelijk netjes bijstond.
Van sloop naar loop
Als klassiekerredacteur van Autozine.nl heb ik een zwak voor klassieke auto's
in het algemeen en voor Engelse klassiekers in het bijzonder. Al zo'n 20 jaar
rijd ik dan ook MG; eerst alleen een MGB, maar sinds de zomer van 2000 ook in
deze maroon rode ZA Magnette. Al sinds ik MG rijd was ik op zoek naar een
Magnette, maar wat hier in Nederland sporadisch te koop was, bleek of veel te
duur of veel te slecht te zijn. Via een advertentie in het inmiddels ter ziele
gegane tijdschrift British Car Magazine kwam ik deze Magnette op het spoor. De
auto was zoals gezegd compleet, zag er netjes uit en roest was nauwelijks te
ontdekken.
Voor 7.250 ouderwetse Hollandse guldens werd ik de eerste
Nederlandse eigenaar en voor iets meer dan dat bedrag is er vervolgens door een
klassiekerspecialist aan verspijkerd. Alles wat van rubber was in, om en aan de
auto is vervangen: slangen, banden, raamrubbers, noem maar op. In Engeland
zitten gelukkig een paar echte Magnette-specialisten, die bijna alle onderdelen
nog als 'new old stock' kunnen leveren.
Sommige onderdelen moesten op maat
worden gemaakt, zoals de rubbers van de zgn. 'quarterlights', de tochtraampjes.
Die beide kleine stukjes rubber zijn duurder dan alle andere raamrubbers
tezamen. Ook een dure grap werd het dashboard, dat uitgedroogd was,
gerestaureerd is en vervolgens 11 lagen lak heeft gekregen. En dat geldt ook
voor de houten strips langs de portieren en de voor- en achterruit.
De motor had in eerste instantie niet veel meer dan een onderhoudsbeurt nodig,
maar is vier jaar later wel volledig gereviseerd, want het olieverbruik liep
toen echt (en bijna letterlijk) de spuigaten uit. Verder is er natuurlijk wel
een nieuwe dynamo in gekomen, een nieuwe radiateur en is het remsysteem
gereviseerd.
Plezierige reisauto
Sinds de motorrevisie doet de Magnette wat van hem verwacht wordt en blijkt het
een zeer plezierige reisauto te zijn. De anderhalve liter motor is pittig
genoeg om fatsoenlijk mee te kunnen in het hedendaagse verkeer en haalt als het
nodig is een ruime 120 km/uur. Maar lekkerder voelt de Magnette zich op de
bochtige B-wegen in Engeland; daar merk je dat het nog steeds een auto is die
zich sportief laat rijden. Bovendien ben je met een MG ZA Magnette ook op de
oorspronkelijke 'home market' van de British Motor Corporation een opvallende
verschijning.
Maar aangezien je natuurlijk niet elk weekend de Engelse country roads kunt
opzoeken, laat ik de ZA regelmatig in de 'Back Corner' van Nederland uit en ook
daar komen zijn kwaliteiten goed tot hun recht. Lekker smalle en vooral rustige
weggetjes; vlak voor een bocht even terugschakelen, het gas erop, de kont iets
laten glijden, beetje tegensturen….. heerlijk!! Gerald Palmer heeft echt
een heerlijk sportieve rijdersauto ontworpen.
Rode Baron?
Waar de benaming 'rode baron' vandaan komt, vraagt u zich af? Ach, zeg nou
zelf, met die fraaie klassieke grille, het prachtige gepolitoerde notenhouten
dashboard, de lederen bekleding en zijn Britse afkomst heeft de Magnette toch
echt een aristocratische uitstraling. En aangezien de foto's gemaakt zijn bij
Huis Verwolde in het Achterhoekse Laren, waar ruim 200 jaar lang de baronnen
Van der Borch tot Verwolde hebben gewoond, lag de benaming Rode Baron voor de
hand.
Tekst: Hans Lubberding, Foto's: Rolinde Vennink
|